Wie deze woorden leest en herkent heeft een roemrijk en vooral berucht studentenleven achter de rug, of zit er middenin wat uiteraard ook kan , gezien ook jonge medemensen deze blog dagelijks bezoeken. (uiteraard waarvoor dank ).
Het mooie weer van de voorbije weken lokte mij meermaals naar zonnige terrasjes. Neen niet naar die duizend terrassen in Rome, maar wel naar terrasjes in Antwerpen en – uiteraard – Gent, maar ook naar Leuven (L-man-Land). Het was op een van die terrasje in Leuven dat ik de basis legde voor een avondje puur nostalgie.
Een paar tafels verderop zat namelijk A. samen met een paar dorpsgenoten te genieten van een paar frisse 33′ers ( niet het Franse bier, wel de hoeveelheid Stella in het glas). Ik vernam dat hij intussen ook bij “ons Moeder” was aangesloten wat mij alleen maar trotser maakte. Want trots was ik al van toen ik hem nog als klein “pagadderke” (aaah dat doet deugd dat woord nog eens te mogen gebruiken) had in de scouts.
En..het werd nog beter. Narreken – zoals ons Moeder hem had genoemd – was het petekind van Cornisjong. En laat dat nu net het petekind zijn van mij, Castraat, die dan weer het petekind is van ex-senior Rochel. Met andere woorden, ik had een achterpetekind in het praesidium en ik kon er mij geen beter wensen. En dus maakten we een afspraak dat ik hem de volgende cantus zou komen toedrinken.
Die “volgende cantus” was een zwoele warme lenteavond. Ik liet hen eerst gezellig opwarmen alvorens ik na een dik uur mijn opwachting maakte. Tot mijn grote verbazing zag ik …geen schachten . Ik wist meteen dat het een leuke, zware, zatte cantus ging worden.
Uiteraard bewees ik eerst, samen met Narreken, mijn mannelijkheid ( met een warme pint en dan nog wel Maes, ons Moeder zou haar schamen). Wat volgde waren veel pintjes, heeeel veel pintjes, al maar meer tempus privatussen ( of is het tempi privati ? ) , vals liederengekweel, en Foor die van tijd tot tijd zijn “socisse” is uit zijn broek haalde om a) is in een leeg bierfleske te pissen en b) er gewoon eens mee te zwaaien. Een cantus zonder Roten Husaren maar mét Dat blondbruine bier en jucheidi jeida’s over en weer. Ik tekende codexen, zorgde voor een paar “rake” toezingrefreinen” en trok onder luid “Tempus commune” de straat over naar het café der café’s.
“Bou poetjes” gelek as woijle zegge, is er nog letterlijk een luster om “in te hangen” . Met een voor mijzelf verrassend vlotte beweging hees ik mij tot tegen het plafond en zette het pintje aan mijn lippen en riep voor de laatste keer die nacht “Prosit senior, prosit pro-senior, prosit corona…ad fundum” . Er volgde een heerlijk mannenkoorrefrein dat mij “uit sympathie” toezong en zo maakte ik meer dan 7 jaar na mijn voorlopig laatste cantus , opnieuw een einde aan een klein hoofdstuk Moeder Hopland-historie.
22 augustus, 2008 at 10:30 am
Ik krijg er bekanst tranen van in mijn ogen..
Zo skoen!
Have fun.
PS: Wens je zus & Toven ne dikke proficiat met hunne zoon!
Bram.